materiaal: tekening

hoogte:
breedte:
diepte:

verzameling
Tags: , ,

tekening kikker
foto Kikker

Proza-Poëzie

Proza

MIJN VRIENDJE HET KIKKERMENNEKE

Als jonge snuiter van 12 jaar zat ik graag in poelen en sloten te modderen. En zeker wanneer je tot aan de knieën in het slijk stond. Je werd al gauw één met de natuur.
Na een dag van hard werken met het schepnet en dan met een goede vangst van allerlei diertjes zoals salamanders, watertorren, enz., was ik zeer moe maar kon ik met een tevreden gevoel huiswaarts keren en vervolgens gaan slapen. En dan maar dromen van…

Tijdens het indommelen wemelde het van dikkopjes in en rond mijn hoofd. Ook mijn voeten baadden nog in die smurrie en het leek wel of ik nog in die snotpietenpap stond.

‘s Avonds had ik, naar gewoonte, nog pap met broodbrokken gegeten want ik moest nog groot worden! Dit bemoeilijkte me het slapen.

Ik had mij overdag vooral toegelegd op het vangen van veel dikkoppen of kikkervisjes; thuis zette ik ze dan in een grote bokaal, zodat ik ze verder kon zien ontpoppen tot echte mini kikkertjes. De slibberige periode van kikkerdril was dus al achter de rug en al die snotpieten waren intussen uitgekomen.

In mijn droom probeerde ik dus niet verder weg te zinken in de kikkerdril. Plots kwam er vanuit de ronde bokaal uit de achterkeuken een dikkop naar mij toegezwommen en hij lachte geruststellend. Ik kroop op zijn glibberige rug en zo zwommen we naar het oplichtende oppervlak toe, tot wij met onze hoofden boven de lakens uitkwamen en het frisser werd. Het kikkervisje dook terug het duistere water in en ik werd wakker.

Toen zag ik vòòr mij op het nachtkastje een klein in mekaar gedoken lief kikkertje. Het had het staartje reeds van zich afgeworpen en vond dat het tijd was om samen verder op stap te gaan. Het was dus niet het zandmannetje, maar wel het kikkermenneke dat mij iets aan mijn verstand wilde brengen. De conversatie kwam maar niet op gang, want het initiatief moest van mij komen en met zijn natte waterogen kon ik niet uitmaken of hij nu weende of het de glinstering van blijdschap was.

Toen herinnerde ik me mijn kwajongensstreken om padden en kikkers via de keldergaten in de huizen binnen te sluizen. Bij schemeravond en met de maan als getuige zagen ze er dan geelachtig, dan weer bruinachtig en soms appelblauwzeegroen uit. De buurvrouwen vroegen zich vaak af hoe al dat ongedierte toch in hun kelders terecht kwam. Tot op een keer Marie van Too, een grote bazige vrouw, me op heterdaad betrapte en me met haar klokkenstem toeriep: “Hé menneke! Wat spook je daar toch uit aan dat keldergat?!” Van toen af is die droppingactie gestopt, want vader was immers op de hoogte gebracht!

De kikker op het nachtkastje wilde een compromis: ik zou zijn vriendjes in de bokaal vrij laten en hij zou ervoor zorgen dat ik steeds goed en rustig kon inslapen.

Hij hield vast woord, want na onze samenspraak zag ik overal kikkers (mensen) van verschillende kleur door elkaar bewegen en met mekaar praten. Ook wij jongens en meisjes liepen met zo’n 20-tal bengels tezamen in de jaarlijkse processie, uitgedost in allerlei kleuren en met beschilderde snuiten. Ik was een Chinees, mijn broer een Indiaan en enkele van mijn schoolmakkers negers, precies zoals ze te zien waren op het soort offerblokken bij de bakker, waarbij het negertje begon te knikken na de inworp van een muntstuk Hij werd het nooit moe. Wij ook niet want wij kwamen van over de hele wereld en liepen zo maar door elkaar en iedereen verstond iedereen.

Ook ik kwam de overeenkomst met het kikkermenneke na want ‘s morgens heb ik heel mijn vangst van de dag ervoor terug in de poel gezet; het was er nog rustig en vredig.

De kikkertjes, welke kleur ze dan ook hebben, roepen bij mij plezante anekdotes vanuit mijn jeugd op en daarom heb ik ze later, 3 cm groot, in gepatineerd brons weergegeven.

Bij het zien van een carnavalstoet en vooral als mensen verkleed zijn in chinezen, negers, of welke andere bonte mengeling ook, komt nog telkens de deugniet in mij naar boven, die ze allemaal in verschillende keldergaten zou willen passen.

Van op het nachtkastje, onder het schemerlampje, zit het kikkertje te wachten op verhaaltjes van inslapende bengels. Hier speelt hij de rol van zandmannetje. Wanneer je nu echt een verhaaltje of een geheimpje kwijt wilt, vertel het dan maar aan het kikkermannetje, het kan zeer goed luisteren! Slaap zacht…

Jef Van Leeuw

Poëzie

KIKKERKRING

Ik kijk gefascineerd,
wat doen ze geleerd!
Ze zitten in een kring
als in vergadering.

Het is een o zo guitig geheel.
Ze zetten allemaal een dikke keel,
hun bolle ogen kijken in het rond
en breedsprakerig gaapt hun mond.

Zo met hun paddenbilletjes in de lucht,
guitig gezeten op hun huk, wat een klucht!
Handjes in ernst voor de buik gevouwen,
als zijn ze uit steen gehouwen.

Doch ze kleuren bruin, groen en goud
en sommige lijken zelfs gemaakt uit hout
Maar’t zijn allen bronzen kikkers
met ogen groot als glazen knikkers.

Hier geen huid die glibberig voelt
wel een ruw rugje dat mijn vinger koelt
bij de streling van een vermomde prins
al helpt een kusje op dit brons geenszins.