foto gifgroen

materiaal: marmer

hoogte: 80cm
breedte:30cm
diepte:20cm


verzameling
Tags: , ,

tekening Gifgroen
foto gifgroen
foto Gifgroen

Proza-Poëzie

Proza

Drie generaties slangen heb ik reeds in mijn korte tweede leven als beeldhouwer tot leven gebracht. De eerste in klei en dan vereeuwigd in brons. De tweede in het dankbare witte marmer uit Carrara, waarbij ik mij tijdens het weghakken van het te veel aan materiaal voor ogen hield dot er ooit een stenen slang moest uit voortspruiten en zo maar geen postuurke. De derde slang is eveneens vanuit klei van niets uitgebouwd naar iets dat vervaarlijk in de verte tuurt, om dan een metamorfose te ondergaan naar polyester of kunsthars. Hierbij zou ik het laten. Echter, “nooit” of “nooit meer” bestaat niet.

Een tien jaar oudere beeldhouwer had een teveel aan blokken marmer, zandsteen, graniet en albast. Enige tijd geleden stelde hij mij voor om enkele uitgezaagde rotsblokjes van elk ongeveer 150kg voor een zacht prijsje over te nemen. Ooit verkeerde hij blijkbaar in een “drive” periode waarbij hij dacht bergen te zullen verzetten ; de jaren van fysieke beknotting hebben hem op andere gedachten gebracht en toen kruiste ik zijn weg.

Onder het stof in zijn atelier, duidde ik enkele blokken roze, witte en zwarte marmer aan, maar onderaan, een beetje verborgen, zag ik de o zo begeerde groene marmer zitten. Precies of de blok van 20 x 30 x 80cm jaren op mij had liggen wachten.

Een halve dag hebben we met takels en breekijzers gezwoegd om hem van helemaal onderaan de stapel toch maar op mijn aanhangwagen te hijsen.

Achteraf verklapte de beeldhouwer mij dat zulke stenen voor hem niet meer geschikt waren.

Thuisgekomen met mijn verovering bekroop me stilaan de angst : welke beelden zouden het meest geschikt zijn om uit deze pure natuur te voorschijn te kruipen ? Eigenlijk zou ik een klein beetje voor god spelen, want de honderden andere mogelijkheden aan beelden zouden nooit de kans krijgen het daglicht te zien.

De groene blok heb ik vlakbij mijn atelier gevleid ; hij zou zijn inwendige ingekapselde sculpturale vorm aan mij prijsgeven. Maanden van ongeduldig wachten leverden niets op en ik staakte het gevecht met de steen. Om de spanning niet te laten afzwakken, plaatste ik hem rechtopstaand bovenop een beeldhouwersstoel, alsof mijn geduld ten einde was.

Tijdens een openingsreceptie op een kunsttentoonstelling ontmoette ik een oude vriendin, een echte beeldhouwster die hamer en beitel al lang aan de haak had gehangen want haar rug en schouders hadden het intussen laten afweten. Het gesprek ging natuurlijk over mijn nieuwe aanwinst, maar zij reageerde verontwaardigd op mijn enthousiaste aanbreng. Ze vertelde mij dat je nooit in zo’n steen mag kappen, kwestie van zeer ongezond qua uitdampingen van asbestvorming. Verder zou ik nooit een mooi oppervlak kunnen bekomen wanneer ik fijn sculpturaal zou gaan werken in die steen. Zoiets zou enkel geschikt zijn voor vazen, vijzels en allerlei toepassingen, gebruikt voor harde graniet. Blijkbaar ging het om een serpentijnrots, dus zeer hard.

Eerst voelde ik mij bekocht, maar intussen groeide in mij het verlangen om dit keer de rots een stukje kleiner te krijgen. Immers, zolang ik het fysiek nog aan kan, is “moeilijk” voor mij nooit ver weg.

Het zou mijn vierde slang worden, want uit deze slangensteen mag niets anders gekapt worden dan een serpent.

Met een natte spons streelde ik nu de voor- en zijkanten van de steen, en ja, ik zag reeds de vlekken op slangachtige manier naar de oppervlakte komen. Zelfs de lange vezels in de structuur, die met andere gesteenten vergroeid zijn, vertelden mij dat zij de schubben voorstelden. Door achteraf de steen te polijsten zou het beeld als echt glibberig aan de oppervlakte verschijnen. Het was nog maar een kwestie van beginnen.

Nu ik wist dat er met omzichtigheid en veel geduld moest gewerkt worden, voelde ik me een heel stuk minder zeker. Ik nam de afmetingen in mij op, maar stuitte steeds op de beperking dat de steen maar een dikte had van 20cm. Om nodeloos te veel aan materiaal weg te halen en geen uitwijkmogelijkheden te kunnen voorzien, besliste ik om op halve grootte iets te boetseren.

Het zou een groene cobra worden, het rugschild plat aangedrukt tegen de borstkas omwille van de dikte van maar 20cm. Uitstulpende scherpe borsten, die de giftanden symboliseren, waren dus niet mogelijk ; het zouden verticale lange kwabben worden. De breedte van 30cm zou mij toelaten om een omgekeerde S-vorm uit te bouwen waardoor de symmetrie volledig wegvalt. Hierdoor kon ik een gestyleerd uiteinde met een zekere lengte voorzien, waarbij de staartpunt nog eventjes achteraan komt gluren.

Met opengesperde muil en met de verwachtende scherpe tanden, geeft het dier uit steen zich nog steeds niet gewonnen. Het is gewaagd om je vinger tussen die priemende kiezen te steken !

De strijd is nu gestreden, en toch is het maar een steen. Op het gebied van intelligentie zit hij lager dan de planten en de vogels, maar toch kent hij de weg om steeds zeer snel naar moeder aarde terug te keren. Ook weet hij lang zijn ingekapselde furie te behouden. Enkel door gedreven tegen de steen in te gaan heeft het groene gevlamde serpent zich prijsgegeven.

Nog even dit, ook in de zo rijkelijk uit kostbare stenen opgebouwde Cappella dei Principi te Firenze in Italie, werd deze moeilijke materie verwerkt.

Poëzie

De gifgroene furie,
“weiblich”. Opgericht
vanuit de kronkeling.
Jaagt met gespannen buik
de agitatie ten top.

Razend van schrik,
trekt het de kop
tussen de onbestaande schouders
en met de gapende wonde,
gilt het woordeloos
zijn gif de wereld in.

Boosaardige onmacht,
verstard in steen.
Bevroren dreiging
uit onze angstmerries.