materiaal: polyester

hoogte: 168cm
breedte: 66cm
diepte: 70cm

Openbare locatie

kerkplein Veerle-Heide, Laakdal

Proza-Poëzie

Proza

Walenman = Vlaamse bietenrooier werkzaam in Wallonië.

De Laakdalse werkgroep voor geschiedenis en heemkunde stelde voor om in de deelgemeente Veerle een beeld te ontwerpen en uit te voeren voor “De Walenman”.

Mijn ijdelheid werd gestreeld, want het gehucht “De Heide” of “Veerle-Heide”, waar het beeld zou neergepoot worden, ligt me nauw aan het hart.

Jarenlang heb ik als misdienaar opgetreden in de kerk van “Onze-Lieve-Vrouw in de Wijngaard” te Veerle.
Jaarlijks rond Pasen gingen de misdienaars, gezessen, het ganse dorp rond en bedelden 4 dagen lang van deur tot deur, om eieren of geld. We waren gewapend met een houten ratel of klepper en allemaal nog eens uitgerust met een eiermand. Op Veerle Heide waren de mensen steeds vrijgeviger dan in de rest van het dorp. We waren er zeker op uit om enkele van die grote ganzeneieren in de wacht te slepen. Daar werd soms, of eerder meestal, om geruzied!

Dus ging ik graag op het voorstel in om een beeld te ontwerpen.

Een bijeenkomst werd geregeld met enkele notabelen en sommige seizoenarbeiders, maar eerst verzocht men mij om een kijkje te nemen in Rilaar. Daar stond reeds een beeld van de “seizoenarbeider” in brons sinds 1988. De voorstelling vond ik een beetje te statisch en ik zou met de informatie van de nog levende Walenmannen van toen, de nodige inhoud voor het nieuwe beeld bijeen sprokkelen, om het beeld van destijds terug op te roepen, maar met een beetje meer dynamiek.

Volgens de veteranen verrichtten ze in Wallonië echte heldendaden, omdat de omstandigheden mensonwaardig waren. Dit werk stelde hen echter in staat om – eens terug thuis – te overleven. Ze hadden thuis wel een lapje huurpand om op te labeuren. Toen ging het niet anders om hun armoedig bestaan in de seizoenen hard te maken. Aan mij om het beeld van dit hard labeur uit te beelden.

Het slijk en het zweet kleefden aan hun lichamen, tot ze er koude en doorweekte kleren aan over hielden. Nadien moesten ze een erbarmelijke nachtrust onder zakken of in het stro op de zolder, of in stallen doormaken. Terwijl pinkten ze het leed met tranen van maandenlange scheiding tussen de familieleden weg. Ik aanhoorde tevens een verhaal van kromgewerkte ruggen en misvormde werkhanden.

Kortom het waren Vlaamse werkbeesten. Ze droegen rubberen laarzen en broeken om voeten en benen te beschermen tegen het ploeteren in de modder en het hoge natte loof van de bieten. Sommigen onder hen moesten deze bieten ontkoppen met een kapmes tot hun arm er lam van werd. Bovendien kregen ze onhoudbaar, pijnlijke kloven op de handen.
Alleen de sterksten overleefden dit slavenwerk en op langere termijn zou men kunnen spreken van een uitstervend ras.

Zelf konden deze noeste arbeiders geen rechtstreekse afspraak maken met hun opdrachtgevers. Ze spraken immers onvoldoende Frans en daarom regelde een “placeur” al deze taken voor hen. Door deze “placeurs” werd er meestal misbruik gemaakt, waardoor de Walenman steekpenningen gaf om er toch maar bij te horen.

Ik zou hem in een fiere houding plaatsen, van “hier ben ik”. De echte, nu nog levende bietenmannen mogen fier zijn dat ze dit soort werk hebben kunnen realiseren. Zelfs hun kinderen en kleinkinderen zouden hier herinnerd worden aan de “Vlaamse Werkbeesten”.
Gewapend met de krabber of bietenhak, met een op maat gehakte en gekromde steel uit wis of wilg, want die splintert niet en ligt mals in de hand. Aangevuld met de dubbele Walenzak of reiszak (vervaardigd van molton in grijze wollen stof), over de schouder.

Het “bietschopje”, waarmee zeer voorovergebogen gewerkt werd, zou zeker niet mogen ontbreken want daar zijn ze zeer fier op. Het was zo persoonlijk dat de duimafdruk van de gebruiker in de houten steel zichtbaar werd.
De trekhaak – die voor een tijdje in opmars kwam- , liet hun toe de bieten te rooien in rechtstaande houding mits een uitgekiende lendenworp, toch is deze trekhaak stilaan in de vergeethoek geraakt, want hun rug kreeg het hierdoor nog sterker te verduren.

Stilaan is dan de mechanisatie ingetreden en moesten er nog wel gangen in het bietenveld gerooid worden, toch zou de Walenman elders wel wat werk gaan zoeken voor zijn inkomen.
Hem herdenken met een standbeeld geeft een visuele blik in het noeste verleden. Je kan hem nu ervaren zoals hij toen stond; met de blik over de tientallen hectaren landbouwvelden die hij moest aanpakken.

Jef Van Leeuw

Poëzie

DE WALENMAN

Als ‘t thuisfront geen werk meer biedt,
vertrekt men al voor dag en dauw,
met boterham en drinkfles naar “de biet”.
De ledematen stram, de harten lauw.

Het oude ambacht van de Walenman
is iets wat nu niet meer bestaan kan.
Het noeste werk, het harde leven,
zou een hedendaags’ man doen beven.

De Walenman bewerkt de biet die hij haat en mint,
de biet, die hem verkleumt tot in de kille knoken.
maar ook dromen laat van grond, of huis, of kind.
Uit dit wreed gewroet is vaak een mooie droom ontloken.

Al breekt de afstand naar de Walen en de biet
vaak al het warm, huiselijk geluk
en zorgt het, dat een kind zijn vader amper ziet,
of doet het ‘s mans gezondheid stuk,

Toch houdt het resultaat hem overeind
waar hij terugkerend naar de vrouw aan ‘t eind
de zware baluchon van de schouder laadt
en als een held hier weer thuize staat.